Een bedrijf zegt de arbeidsovereenkomst van een werknemer op via een online HR-systeem. De brief heeft de werknemer echter nooit bereikt.
Een Senior Juridisch Adviseur heeft een arbeidscontract voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst van de adviseur niet verlengd. Dit heeft de afdeling HRM van de werkgever de juridisch adviseur laten weten via een aanzegbrief. Deze brief heeft de afdeling HRM verstuurd met een online systeem waarin HRM-gerelateerde onderwerpen worden gecommuniceerd met de werknemers van de werkgever.
Aanspraak op aanzegvergoeding
De juridisch adviseur heeft de werkgever laten weten dat het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst hem niet is aangezegd. Hij was volgens eigen zeggen niet op de hoogte van de brief die aan hem is gestuurd via het online systeem. Hij vindt dat hij daarom ook aanspraak maakt op de aanzegvergoeding. De werkgever is het daar niet mee eens. Volgens de werkgever had de adviseur erop bedacht moeten zijn dat de aanzegging werd gedaan via het online systeem, gelet op de artikelen 26 en 27 uit de arbeidsovereenkomst.
Vast staat dat de werkgever op grond van artikel 7:668 lid 1 BW de verplichting heeft om uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt een werkgever moet laten weten dat de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet. De aanzegvergoeding is een op de werkgever rustende informatieplicht. Het is nadrukkelijk vereist dat de werkgever de aanzegging schriftelijk doet. Dit is om discussies achteraf over al dan niet gedane mondelinge toezeggingen of mededelingen, dan wel gemaakte afspraken, te voorkomen. Een mondelinge aanzegging volstaat dus niet. Een schriftelijke aanzegging kan ook een elektronische kennisgeving/mededeling zijn.
Informatieplicht
De werkgever en de senior juridisch adviseur verschillen niet van mening over de eis van schriftelijkheid. De aanzegbrief voldoet aan die eis. Maar ze verschillen wel van mening of de werkgever heeft voldaan aan de informatieplicht, omdat tussen hen vast staat dat de adviseur de via het online systeem verzonden brief niet heeft geopend en gelezen. Daarmee heeft de inhoud van de brief hem dus niet bereikt, terwijl dat op grond van de ontvangsttheorie uit artikel 3:37 lid 3 BW wel vereist is om haar werking te hebben. De inhoud van de brief heeft ook werking als deze de persoon niet heeft bereikt, maar dat het gevolg is van het handelen van die persoon, of van een omstandigheid die voor risico komt van de persoon zelf. De stelplicht hiervan rust in dit geval op de werkgever, omdat zij een beroep doet op de rechtsgevolgen.
De kantonrechter volgt de werkgever niet in haar verweer dat de adviseur uit de artikelen 26 en 27 in de arbeidsovereenkomst had kunnen opmaken dat de aanzegging via het online systeem werd gedaan. De kantonrechter leest in die artikelen niet dat de communicatie tussen de werkgever en haar werknemers via het online systeem verliep. Ook is volgens de rechter niet vast komen vast te staan dat er gedurende het jaar vaker berichten via het online systeem aan de adviseur zijn gecommuniceerd. Daarnaast staat vast dat de adviseur geen melding ontving dat er een document voor hem klaar stond in het systeem, als hij het systeem niet opende. Volgens de kantonrechter zijn er geen omstandigheden die ertoe leiden dat het niet ontvangen van de aanzegging voor risico moet komen van de adviseur.
Het blijft dus voor rekening en risico van de werkgever dat de inhoud van de brief de adviseur niet heeft bereikt. Dit betekent dat de werkgever niet tijdig heeft aangezegd en daarom de aanzegvergoeding van ruim 8000 euro bruto aan de senior juridisch adviseur moet betalen.
