Een werknemer van een all-round logistiek dienstverlener is onterecht op staande voet ontslagen. De werkgever baseerde zich onder meer op foto’s van de werknemer op een dak, gemaakt door Hoffmann Bedrijfsrecherche. Volgens de kantonrechter in Den Haag boden die beelden onvoldoende bewijs voor een dringende reden.
De werknemer meldde zich in november 2023 ziek met psychische klachten. Tijdens zijn re-integratie ontving hij meerdere officiële waarschuwingen. Op 23 oktober 2024 ontsloeg de werkgever hem telefonisch op staande voet. Daarbij verwees de werkgever naar observaties van Hoffmann Bedrijfsrecherche. De foto’s toonden de werknemer op een dak in Leiden, terwijl hij volgens de werkgever die dag had moeten verschijnen voor re-integratiewerkzaamheden. Volgens de werknemer vergezelde hij zijn schoonvader, die dakwerkzaamheden verrichtte. Hij ontkende dat hij zelf aan het werk was. De bedrijfsarts had hem juist geadviseerd om structuur op te bouwen en actief te blijven.
Beelden onvoldoende onderbouwing
De rechter oordeelde dat de foto’s slechts momentopnamen waren en geen overtuigend bewijs vormden dat de werknemer tijdens zijn ziekte werkte voor een derde. Ook bleek niet dat hij wist dat de werkgever hem op die dag op het werk verwachtte. De inschrijving van een onderneming op zijn woonadres bleek bovendien niets met hem te maken te hebben. Hoewel het begrijpelijk was dat de werkgever vragen had bij de situatie, had zij volgens de rechter beter onderzoek moeten doen. De werknemer meldde zich kort na het ontslaggesprek bij de werkgever om uitleg te geven, maar kreeg daar geen gelegenheid toe.
Werkgever trok te snel conclusies
De kantonrechter stelde dat de werkgever te snel conclusies trok zonder hoor en wederhoor toe te passen. Een ontslag op staande voet is een uiterste maatregel, waarvoor een grondig en zorgvuldig onderzoek vereist is. De werkgever had volgens de rechter andere stappen kunnen nemen, zoals het opleggen van een loonsanctie.
Vergoedingen toegekend
De werknemer heeft recht op een transitievergoeding van € 8.699 bruto, een gefixeerde schadevergoeding van € 4.153,74 bruto en een billijke vergoeding van € 35.846,26 bruto. Die laatste werd lager vastgesteld dan verzocht, omdat de werknemer zelf ook tekort was geschoten in de communicatie over zijn re-integratie. Verzoeken om vergoeding van immateriële schade en advocaatkosten wees de rechter af. De werkgever moet een correcte eindafrekening opstellen en € 2.471 aan proceskosten betalen. Het tegenverzoek van de werkgever om te verklaren dat de werknemer geen recht had op vergoedingen, wees de rechter volledig af.