De kantonrechter in Breda heeft geoordeeld dat de beëindiging van een leer-arbeidsovereenkomst van een leerling-verpleegkundige onrechtmatig was. De werkgever maakte gebruik van een ontbindende voorwaarde in het contract, maar volgens de rechter mocht dat in dit geval niet.
De leer-arbeidsovereenkomst was afgesloten voor het derde leerjaar van een BBL-opleiding en liep tot 1 januari 2025. In maart 2024 werd aan de werknemer tijdens een gesprek medegedeeld dat zij te veel de focus had op haar examens en zich meer moest richten op het leerproces. In juni 2024 volgde een nieuw gesprek, waarin werkgever en werknemer bespraken dat de werkgever geen verbetering zag. Op 16 augustus 2024 is aan de werknemer meegedeeld dat is besloten om haar opleiding te stoppen. In de periode daarna is nog gesproken over een mogelijk flexcontract voor de functie van helpende plus, maar dit is uiteindelijk niet aangeboden.
Geen rechtsgeldige ontbindende voorwaarde
De werkgever stelde dat de werknemer haar diploma niet meer op tijd kon behalen en dat de leer-arbeidsovereenkomst daarom per 1 oktober 2024 van rechtswege eindigde. De kantonrechter oordeelt echter dat de werkgever zelf invloed heeft uitgeoefend op het in vervulling gaan van die voorwaarde. Onder andere door in maart 2024 al goedgekeurde examens te blokkeren en het opleidingstraject stil te leggen, heeft de werkgever belemmerd dat de werknemer haar examens kon afleggen. Volgens de rechter is daardoor sprake van een ongeldig beding. De beëindiging van de overeenkomst is in strijd met artikel 7:671 BW. De opzegging zonder instemming van de werknemer en zonder geldige grond is aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen.
Vergoeding op basis van misgelopen salaris
De werknemer had nog recht op drie maanden loon tot het einde van de afgesproken contractduur. Daarnaast hield de kantonrechter rekening met de periode daarna waarin zij vanwege de gevolgen van de beëindiging tijdelijk niet in staat was om werk op vergelijkbaar niveau uit te voeren. Omdat de werknemer in die tijd wel inkomsten had uit een bijbaan, ging de rechter er niet vanuit dat zij volledig zonder loon zat. Daarom werd in de berekening uitgegaan van nog eens drie maanden misgelopen loon bij de leerwerkplek, in plaats van volledige inkomensderving. De totale billijke vergoeding werd vastgesteld op € 11.692,62.