De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst tussen een zorgaanbieder en een verzorgende plus ontbonden. Volgens de rechter hield zij zich na haar ziekmelding structureel onbereikbaar. Dat leverde ernstig verwijtbaar handelen op
De verzorgende plus trad in maart 2020 in dienst bij een zorggroep voor met name ouderen. In 2023 en 2024 bouwde zij veel min-uren op. De werkgever voerde meerdere gesprekken om dit patroon te doorbreken. Op 30 januari 2024 stonden er nog 70 min-uren open. Daarom spraken partijen af dat de verzorgende plus zou gaan werken in een intramuraal vast team. Kort daarna begon zij echter opnieuw regelmatig weg te blijven zonder afmelding. Ze reageerde niet op berichten of telefoontjes. De werkgever besloot haar inzet in het vaste team te stoppen en vroeg haar op 2 mei 2024 om contact op te nemen. Toen hierop geen reactie kwam, stopte de werkgever de loonbetaling.
Ontslag via WhatsApp
Op 14 of 15 mei 2024 liet de verzorgende plus via WhatsApp en e-mail weten dat ze per direct ontslag wilde nemen. In haar bericht schreef ze dat ze het beter vond voor zichzelf en de organisatie. Ze stelde dat ontslag toch onvermijdelijk zou zijn en bedankte voor de hulp die ze had ontvangen. De werkgever twijfelde of dit ontslag een weloverwogen beslissing was. In overleg met de verzorgende plus werd besloten haar ziek te melden. De loonbetaling werd met terugwerkende kracht hervat.
Opnieuw onbereikbaar
Na de ziekmelding bleef de verzorgende plus opnieuw onbereikbaar. De werkgever en de Arbodienst probeerden herhaaldelijk om contact te leggen, per brief en telefonisch, maar zonder resultaat. Op 28 juni 2024 volgde een loonopschorting. De werkgever stuurde daarop meerdere brieven met het verzoek om voor een bepaalde datum contact op te nemen. Ook dreigde zij met verdere maatregelen. De verzorgende plus reageerde nergens op. Twee medewerkers bezochten haar op 20 augustus 2024 thuis. Zij troffen haar aan en hoorden dat zij griep had. Toch bleef elke vorm van structureel contact uit. In een laatste brief op 24 augustus 2024 deed de werkgever nog één poging, maar ook daarop bleef het stil.
Ernstig verwijtbaar handelen
Omdat de verzorgende plus bleef weigeren om in contact te treden en zich onttrok aan haar re-integratieverplichtingen, diende de werkgever een verzoek tot ontbinding in bij de kantonrechter. Zij vroeg om ontbinding op meerdere gronden, met als hoofdgrond verwijtbaar handelen. De verzorgende plus voerde geen verweer en verscheen ook niet op de zitting van 16 januari 2025.
De rechter ging uit van de juistheid van de feiten die de werkgever had aangevoerd. Volgens de kantonrechter weigerde de verzorgende plus om mee te werken aan haar re-integratie, onder andere doordat zij nooit door een bedrijfsarts is gezien. Daardoor kon niet worden vastgesteld of zij arbeidsongeschikt was. De rechter oordeelde dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen. De arbeidsovereenkomst werd daarom ontbonden per 30 januari 2025. De werkgever hoeft geen opzegtermijn in acht te nemen en is geen transitievergoeding verschuldigd.