Alleen werknemers met een bruto maandloon tussen 2.000 en 2.750 euro krijgen dit jaar netto meer vakantiegeld dan in 2024. Voor de meeste anderen blijft het bedrag gelijk of daalt het licht.
Dat blijkt uit berekeningen van ADP. Werknemers met het minimumloon zien het vakantiegeld het meest stijgen: 236 euro bij een 36-urige werkweek, 146 euro bij 38 uur en 188 euro bij 40 uur. Deze stijging komt ook door de indexatie van het wettelijk minimumuurloon.
Lagere bedragen voor hogere inkomens
Voor een bruto maandloon van 2.750 euro stijgt het vakantiegeld netto met 32 euro. Werknemers met een modaal inkomen (3.588 euro) ontvangen dit jaar 8 euro minder. Bij anderhalf keer modaal (5.382 euro) is het verschil 11 euro in negatieve zin. Wie twee keer modaal of meer verdient (vanaf 7.176 euro), ontvangt net zoveel als vorig jaar.
Lagere inkomens gaan er toch op achteruit
Werknemers met een brutoloon tussen 1.000 en 1.750 euro krijgen dit jaar niet alleen minder salaris, maar ook minder vakantiegeld. Ook bij een loon van 2.000 euro is de stijging van het vakantiegeld niet voldoende om het lagere nettosalaris te compenseren. “De verlaging van het belastingtarief in de eerste schijf is onvoldoende om de achteruitgang in heffingskortingen voor lagere inkomens op te vangen,” aldus Dik van Leeuwerden, senior analist wet- en regelgeving bij ADP.
Verrekeningspercentage speelt grote rol
De opbouw en afbouw van heffingskortingen en het bijbehorende verrekeningspercentage kunnen zorgen voor onverwachte uitkomsten. Voor het belastingtarief over vakantiegeld wordt uitgegaan van het jaarloon van het voorafgaande jaar. Het verrekeningspercentage zorgt ervoor dat de heffingskortingen over het totale loon correct worden toegepast. Verdien je modaal tot anderhalf keer modaal, betaal je 50,33% loonheffing over je vakantiegeld. Verdien je twee tot tweeëneenhalf keer modaal, wordt er 56,01% loonheffing ingehouden. Maar verdien je op jaarbasis meer dan 139.405 euro, wordt er 49,50% ingehouden op je vakantiegeld. De correctie van heffingskortingen via een verrekeningspercentage is dan niet meer nodig”, aldus Van Leeuwerden.
