Een nieuwe zorgaanbieder hoeft zes medewerkers geen werkplek terug te geven in een woonvoorziening waar zij eerder werkten. Dat heeft de kantonrechter in Almelo bepaald. De rechter vindt dat er sprake is van een overname van het zorgbedrijf, maar oordeelt dat de nieuwe werkgever de medewerkers toch op een andere plek mag inzetten.
De zes medewerkers werkten tot eind 2014 in een particuliere woonvorm waar mensen met een zware zorgvraag 24 uur per dag begeleiding krijgen. Zij waren in dienst bij een zorgaanbieder die dat werk jarenlang uitvoerde. Door veranderingen in de zorgwetgeving en een nieuwe verdeling van het zorgbudget kreeg een andere aanbieder vanaf 1 januari 2015 het contract om de zorg in deze woonvorm te leveren. De oude werkgever had geen budget meer om dit werk te doen en vroeg ontslag aan voor de medewerkers. De nieuwe aanbieder bood hen een kans om over te stappen, maar alleen onder slechtere voorwaarden: minder uren, een tijdelijk contract van zes maanden en ongeveer 30 procent minder loon. De medewerkers wezen dat aanbod af. De nieuwe werkgever nam vervolgens andere mensen aan voor het werk in de woonvoorziening.
Rechter: sprake van overgang van onderneming
De zes medewerkers stapten naar de rechter. Zij vonden dat hun baan automatisch was overgegaan naar de nieuwe zorgaanbieder. Volgens de wet is daar sprake van als een organisatie of onderdeel daarvan overgaat naar een andere partij, maar de manier van werken en het doel grotendeels hetzelfde blijven. De rechter was het daarmee eens. De zorg in het gebouw ging gewoon door. Het was hetzelfde werk, voor dezelfde cliënten, op dezelfde locatie. Zelfs het logo en de website bleven gelijk. Bovendien gingen meerdere collega’s wél over naar de nieuwe aanbieder. Volgens de rechter betekende dit dat het ging om een “overgang van onderneming”. Daardoor zijn de arbeidscontracten van de zes medewerkers automatisch mee overgegaan naar de nieuwe werkgever.
Toch geen recht op werk op oude locatie
Toch hoeft de nieuwe werkgever de zes medewerkers niet terug te laten keren naar hun oude werkplek. De rechter keek daarbij naar hun arbeidsovereenkomsten. Daarin stond niet dat ze specifiek waren aangenomen voor werk in de woonvoorziening. Ze hadden algemene functies zoals helpende, verzorgende IG of gezinsverzorgende. Ook stond in hun contract dat de werkgever hen andere werkzaamheden mocht opdragen als de bedrijfsbelangen dat vereisten.
De rechter vond het aannemelijk dat de nieuwe werkgever, gezien de lagere vergoeding voor langdurige zorg en de hogere vergoeding voor thuiszorg, ervoor mocht kiezen om medewerkers met een hoger loon op andere plekken in te zetten. Dat is volgens de rechter een zakelijke afweging die past bij de financiële realiteit. Daarom achtte de rechter het niet uitgesloten dat een bodemrechter, die in een uitgebreide procedure naar alle feiten kan kijken, uiteindelijk zal oordelen dat de medewerkers verplicht zijn om het werk in de thuiszorg te accepteren. Omdat dat standpunt verdedigbaar is, wees de rechter de eis om terug te keren naar de oorspronkelijke werkplek af.
Eindejaarsuitkering moet nog worden betaald
De zes medewerkers eisten ook achterstallig loon, wettelijke rente en een extra verhoging omdat ze te laat betaald zouden zijn. De rechter wees deze eisen af. Hun vorige werkgever had het loon gewoon doorbetaald, ook al werkten ze niet meer op de oorspronkelijke plek. Wel kregen zij gelijk over de eindejaarsuitkering van 2014. Die was nog niet uitbetaald. De rechter verplichtte de nieuwe werkgever om het bedrag van € 992,83 bruto alsnog te betalen, met 10 procent wettelijke verhoging en rente vanaf 1 januari 2015. Andere kosten werden afgewezen en beide partijen moesten hun eigen proceskosten betalen.