De kantonrechter in Midden-Nederland oordeelde dat een werkgever een werknemer terecht op staande voet heeft ontslagen. De werknemer had zonder toestemming € 100.000 van een zorgstichting overgemaakt naar zijn persoonlijke holding.
De werknemer was de oprichter en bestuurder van een zorgstichting die zorgverlening aan patiënten volledig uitbesteedde aan twee besloten vennootschappen. Deze bedrijven had hij zelf opgericht en bestuurde hij ook. Via zijn persoonlijke holding was hij ook enig aandeelhouder. In 2022 verkocht hij deze zorgbedrijven aan twee entiteiten die waren opgericht door een landelijke zorgorganisatie. Ook de exclusieve samenwerking tussen de stichting en de zorgbedrijven werd overgedragen. Kort daarna trad de werknemer als Business Unit Developer in dienst bij een entiteit van de landelijke zorgorganisatie.
Hoewel hij op 2 juni 2023 formeel terugtrad als bestuurder van de stichting, bleef hij op de achtergrond betrokken. De stichting bleef daarnaast nauw verbonden met de zorgorganisatie waar hij inmiddels werkte. Hoewel hij formeel niet langer bestuurder was, had hij wel toegang tot de bankrekening van de stichting. In december 2024 maakte hij tweemaal € 50.000 over naar zijn persoonlijke holding. Toen de werkgever hem vroeg om uitleg en teruggave, weigerde hij. De werknemer gaf aan het geld te hebben “veiliggesteld” uit angst voor beslaglegging door derden.
Goede reden ontbreekt
Volgens de kantonrechter had de werknemer geen recht op de overboekingen en ook geen goede reden. Er was geen sprake van acute dreiging van beslag. En het geld werd bovendien niet gebruikt om zorgverleners te betalen. Dat het bedrag na verzoeken van de werkgever niet is teruggestort, rekende de rechter hem zwaar aan: “Het eigenmachtig overboeken en onder zich houden van het aanzienlijke bedrag van € 100.000,00 weegt te zwaar.”
Geen transitievergoeding
De werknemer beriep zich op zijn goede bedoelingen en verzocht om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en schadevergoeding. De rechter wees alle verzoeken af. Vanwege ernstig verwijtbaar handelen kreeg hij geen transitievergoeding. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid slaagde niet. De werkgever vroeg ook om schadevergoeding van € 100.000, maar kon onvoldoende aantonen dat zij dit bedrag daadwerkelijk had moeten betalen aan de zorgstichting. De kantonrechter wees dit verzoek daarom af. Ook wees hij het verzoek om buitengerechtelijke kosten af.
De werknemer moet € 9.538,61 bruto aan gefixeerde schadevergoeding betalen, plus rente.
