Kleine instellingen en zelfstandig werkende zorgverleners in de langdurige GGZ bieden niet altijd deskundige en veilige zorg. De IGJ ziet daarbij risico’s voor kwetsbare cliënten.
Dat blijkt uit een analyse van ruim 3.000 meldingen van nieuwe zorgaanbieders en inspectiebezoeken aan 21 kleine zorginstellingen en zelfstandig werkende zorgverleners (solisten). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt sinds 2021 toezicht op de langdurige GGZ binnen de Wlz.
Zorg zonder opleiding of ervaring
De IGJ ziet dat veel solisten werken zonder passende opleiding of ervaring. Toch bieden zij zorg aan mensen met uiteenlopende problematiek. Zoals psychische stoornissen, verslaving of een verstandelijke beperking. Volgens de IGJ presenteren zij zich vaak als “alleskunners”, terwijl zij de geldende normen en richtlijnen onvoldoende kennen. Dit vergroot het risico op fouten, bijvoorbeeld bij het toedienen van medicatie of het signaleren van lichamelijke klachten. Bovendien ontbreekt het regelmatig aan kennis van leefstijlinterventies en somatische zorg. Daardoor worden problemen soms te laat herkend. Verder ziet de IGJ dat medicatie niet altijd veilig wordt opgeslagen of verstrekt.
Pgb-zorg kent extra risico’s
Daarnaast blijkt uit het toezicht dat persoonsgebonden budgetten (pgb’s) extra kwetsbaarheden met zich meebrengen. Gevolmachtigden die de zorg namens cliënten regelen, hebben vaak weinig zicht op wat goede zorg inhoudt. Ook ontbreekt het hen regelmatig aan kennis om toezicht te houden op de kwaliteit. Daardoor kan langdurig ongeschikte of onveilige zorg ontstaan, zonder dat dit opgemerkt wordt. De IGJ benadrukt dat het pgb voor veel mensen een uitkomst is om zelf regie te houden over hun zorg. De inspectie ziet ook goede voorbeelden van passende, kleinschalige zorg met betrokken zorgverleners. Toch vraagt de inzet van pgb-zorg om meer kennis en bewustwording, zowel bij zorgverleners als bij vertegenwoordigers.
Goede voorbeelden bij grotere instellingen
Bij grotere en meer ervaren instellingen ziet de IGJ vaker een professionele aanpak. Deze organisaties hebben meestal een duidelijk personeelsbeleid, werken samen in netwerken en sturen actief op kwaliteit. Zij zijn beter in staat om deskundigheid op peil te houden en reflectie te organiseren. Ook bij het gebruik van onderaannemers is er vaak zicht op de geleverde zorg, al vraagt dit volgens de inspectie wel blijvende aandacht.
Volgens de IGJ is het te eenvoudig om als zorgverlener toe te treden tot de Wlz-zorg. De meldplicht op basis van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) leidt niet tot voldoende toetsing vooraf. Daardoor komen er dagelijks nieuwe aanbieders bij, zonder dat helder is of zij voldoen aan de eisen voor professionele zorg. De IGJ maakt zich hierover zorgen, zeker gezien de kwetsbaarheid van de doelgroep.
Meer eisen nodig voor veilige zorg
De IGJ pleit voor hogere instapeisen en duidelijke eisen aan deskundigheid, ook bij pgb-gefinancierde zorg. De Wet integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz), die nog in voorbereiding is, kan hierbij helpen. Deze wet maakt het mogelijk om aanbieders zonder passende expertise de toegang tot de markt te weigeren of hun vergunning in te trekken. Ook het kwaliteitskader “Woonzorg in de langdurige GGZ” is volgens de IGJ een stap in de goede richting, al geldt dat nog niet voor pgb-zorg. De inspectie blijft toezicht houden op de langdurige GGZ binnen de Wlz. Zowel signalen als meldingen vormen aanleiding voor verdere actie. De inspectie roept wetgever, brancheorganisaties en aanbieders op om samen de noodzakelijke stappen te zetten.
Meer interviews, columns en artikelen over HR in de zorg lezen?
Onze gratis nieuwsbrief verschijnt één keer per week. Meld je hier aan.