Wat zijn de gevolgen voor een arbeidsongeschikte hulp bij het huishouden als haar werkgever zichzelf opheft en collega’s elders in dienst treden? De kantonrechter in Breda boog zich over deze kwestie.
De werknemer, die sinds 2017 werkte als hulp bij het huishouden bij een VVT-zorgorganisatie, werd in augustus 2024 ziek. Niet lang daarna liet haar werkgever aan het personeel weten dat alle medewerkers per 1 oktober 2024 zouden overgaan naar een andere BV. Collega’s kwamen daar daadwerkelijk in dienst. De zieke werknemer werd echter door haar oude werkgever bij het UWV ziek uit dienst gemeld, waarna de loonbetaling stopte. De werknemer ging daar niet mee akkoord en stapte naar de rechter.
Overgang van onderneming
De rechter stelt dat de arbeidsovereenkomst nooit rechtsgeldig is opgezegd. Er is geen toestemming van het UWV gevraagd en de werknemer heeft niet ingestemd met een beëindiging. Bovendien blijkt uit de stukken dat de werkzaamheden, cliënten en medewerkers zijn overgegaan naar de andere BV. Daarom is sprake van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:662 BW. De werknemer is daardoor per 1 januari 2025 van rechtswege in dienst gekomen bij de nieuwe werkgever.
Cao VVT van toepassing
De rechter stelt ook vast dat op de arbeidsovereenkomst de cao VVT van toepassing is. Dat betekent dat de werknemer tijdens haar ziekte recht heeft op doorbetaling van 100% van het loon op basis van haar gemiddelde arbeidsomvang. Ook moet de werkgever het loon betalen volgens de specifieke salarisschaal voor de functie Hulp bij het Huishouden uit de cao.
Werkgever moet loon en specificaties alsnog betalen
De rechter vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst en verklaart dat de werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst is bij de nieuwe werkgever. Die moet het loon vanaf 1 januari 2025 betalen, inclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en emolumenten. Ook moet het achterstallige loon over 2024 alsnog worden betaald. Verder moet de werkgever loonspecificaties verstrekken en € 900 aan wettelijke verhoging en € 351,48 aan buitengerechtelijke kosten vergoeden.
De werknemer is niet ontvankelijk in de tegen haar oorspronkelijke werkgever gerichte verzoeken, aangezien die niet meer bestaat.
Meer interviews, columns en artikelen over HR in de zorg in je mailbox?
Onze gratis nieuwsbrief verschijnt één keer per week. Meld je hier aan.